Hoe bouwt een spin haar web
Er zijn spinnen die trechters bouwen, of hangmatten, maar in Nederland springen de kunstig geweven wielwebben het meest in het oog. Hoe begint die kleine spin aan dat grote web? Hoe bereikt zij , de opvallende, grote dikke spinnen zijn meestal vrouwtjes, de takken aan de overkant? Voor de eerste draad in haar web heeft de spin een beetje geluk nodig. Ze klimt naar het uiteinde van een tak en maakt de eerste draad van haar web klaar. Dan wacht ze op een windvlaag, in de hoop dat die de draad naar een aanknopingspunt aan de overkant tilt. Vaak mislukt dat . Dan blijft er een lange , losse draad achter, dat zijn de draden waar je s ‘ochtends doorheen loopt of fietst. Lukt het wel , dan heeft de spin een brug geslagen en is de eerste draad gespannen. Hierna kruipt de spin tot halverwege de draad. Daar hecht ze een nieuwe draad aan , en laat zich naar beneden zakken . Als ze daar ook een goed aanhechtingspunt vindt, trekt ze de draad strak. De eerste draad wordt daardoor ook aangetrokken. De Griekse letter Y die ontstaat , vormt de basis van het web.
Vanuit het centrum spant de spin nog wat extra spaken om het web meer stevigheid te geven. Een kruisspin heeft voor de spiraaldraden zo ‘n 20 meter draad nodig, die produceert ze in drie kwartier. Om zo veel draad te maken moet een spin heel wat muggen eten. Als de spaken klaar zijn, begint de spin aan de spiraaldraden. Die trekt ze door rond te lopen over de spaken. Alles gaat op de tast. Spinnen zien erg weinig, maar hun tastzintuigen zijn erg gevoelig. Met haar pootjes volgt de spin de naastgelegen spiraaldraad , zo zorgt ze dat de draden parallel lopen en er geen grote gaten ontstaan. Aan de netheid van een web is de leeftijd van de spin af te lezen, jonge spinnen maken mooie, regelmatige webben, terwijl oudere spinnen slordig zijn en regelmatig een steekje laten vallen. De grootte van het web hangt af met de hoeveelheid vliegen die de spin erin vangt, een spin met honger bouwt een groter web. Meestal gaat een web een dag mee. Het wordt vies en verliest zijn kleefkracht, of er ontstaan gaten door de wind, regen of grote insecten. De vele meters draad van het web gaan niet verloren, de spin eet haar web op en gebruikt dat als bouwstof voor nieuwe draden. Spinnendraad bestaat uit eiwit, de spin ‘poept’ het met haat spintepels uit. Wie een spin met een loep bekijkt, kan de spintepels zien bewegen. Met speciale klieren beïnvloedt het dier de samenstelling, en daarmee de eigenschappen, van de draad. Voor de spandraden maakt ze dikke , niet klevende draden, de dunne spiraaldraden plakken wel. De spin blijft tijdens de bouw zelf niet in haar net plakken. Het dier heeft dunne haakjes aanhaar pootjes, ze loopt niet over de draden, ze hangt eraan. Het dier is sterk genoeg om die dunne haakjes van de plakkende draden los te trekken.
Bron: AD
Ellie, dat stuk stond in 2004 in de krant, toen heb ik het over zitten te typen omdat ik dat toen aan het leren was.